Op 1 juli 2002 is door het ministerie van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties een richtlijn rondom signaalgebruik van brandweervoertuigen aangenomen.
Deze richtlijn omvat de volgende punten:
3 prioriteitstellingen voor hulpverleningsvoertuigen:
- 1) De melding betreft een dringende taak en toestemming tot het voeren van licht- en geluidssignalen als voorrangsvoertuig
- 2) De melding betreft geen dringende taak maar een inzet met noodzaak ter plaatse te komen; hierbij kan wel gebruik gemaakt worden van de noodzakelijke vrijstellingen die verleend zijn aan hulpverleningsvoertuigen
- 3) De melding betreft alle overige uitrukken; hierbij neemt men deel aan het verkeer als iedere andere weggebruiker
De centralist van de alarmcentrale is de persoon die de juiste prioriteit vaststelt. De, op dat moment, hoogst aanwezige leidinggevende is altijd bevoegd om deze prioriteit bij te stellen. Dit dient dan weer door te worden gegeven aan de centrale, zodat de prioriteitsstelling kan worden bijgesteld.
Zo kan het dus voorkomen dat een prioriteit 2 over kan gaan naar een prioriteit 1.
Snelheden:
- Rood verkeerslicht: een snelheid lager dan 20 km/h wordt gehanteerd waarbij dit geen gevaar op mag leveren voor de overige weggebruikers.
- Spoorwegovergangen en bruggen: deze worden niet gepasseerd indien het rode licht brand.
- Maximumsnelheid: niet sneller dan 20 km/h meer als de toegestane maximum snelheid. Dit geldt ook voor wanneer er gebruik wordt gemaakt van vluchtstroken.
- Woonerven: stapvoets
- File: op wegen met 2 rijstroken zonder vluchtstrook (of wanneer deze geblokkeerd is) wordt bij file tussen twee rijen voertuigen door gereden. Bij 3 rijbanen tussen de 2de en de 3de baan.
Rijrichting:
- Tegen het verkeer inrijden bij niet gescheiden rijbanen: bij prioriteit 1 en 2 alleen kortstondig over een afstand die vrij en te overzien is.
- Tegen het verkeer inrijden bij gescheiden rijbanen: alleen na toestemming van de alarmcentrale waarbij zeker gesteld is dat het tegemoetkomende verkeer stilgelegd is. Dit gebeurt altijd alleen bij prioriteit 1.
In beide gevallen is het tegen het verkeer inrijden altijd toegestaan onder begeleiding van politie.
- Eenrichtingsverkeer: alleen toegestaan indien de normale rijrichting geblokkeerd is, alleen bij prioriteit 1 en 2, of indien er sprake is van een belangrijke tijdwinst. Alleen bij prioriteit 1.
Hierbij dient de snelheid te worden aangepast zodat er op ieder moment gestopt kan worden binnen een afstand die te overzien is.
De licht- en geluidssignalen worden bij prioriteit 1 alleen gevoerd indien dit leidt tot een veiliger verkeerssituatie en/of een kortere rijtijd.
In principe worden de signalen de gehele rit gevoerd. Het inschakelen van de licht- en geluidssignalen dient geen schrikreacties bij andere weggebruikers op te roepen. Bij het naderen van kruisingen of splitsingen gebeurt het inschakelen ongeveer 100 meter voor dit punt.
Het beëindigen van het signaalgebruik dient geen onduidelijke situatie te scheppen, dus bijvoorbeeld niet vlak voor of na een kruising.
Opleiding:
Chauffeurs van hulpverleningsvoertuigen zijn opgeleid en getraind om op een voorrangsvoertuig te mogen rijden.
Deze training wordt met regelmaat herhaald en getoetst.
BZK erkend vanaf nu de richtlijn optische en geluidssignalen brandweer.
Voor de brancheorganisaties politie en ambulance wordt een aangepaste richtlijn ontwikkeld.
De ambulanceorganisatie kent echter al sinds menig jaar termen als:
- A1 vervoer, levensreddende opdracht waarvoor gebruik wordt gemaakt van optische en geluidssignalen.
- A2 vervoer, acute medische hulpvraag, niet levensbedreigend, waarmee na ritopdracht de rit direct wordt aangevangen. En het ambulancevoertuig verkeersrichtlijnen hanteert als ieder ander verkeersdeelnemer.
- B vervoer, besteld vervoer dat planmatig wordt uitgevoerd.
De urgentie bepalingen worden in eerste instantie bepaald door de alarmcentrale van de ambulancedienst. In de praktijk kan het natuurlijk zo zijn dat een A2 vervoer over kan gaan in een A1 vervoer.
Doordat ambulancevoertuigen continue zijn ingepland en onderweg zijn met ritopdrachten voor o.a. B vervoersritten, worden acute meldingen bij de alarmcentrale direct ingepland en onderbreken deze de genoemde ritopdracht.
Daardoor gebeurt het dat een ambulancevoertuig van B urgentierit over kan gaan naar een andere A urgentierit.
Door de genoten opleidingen en trainingen van ambulancechauffeurs houden zij ten alle tijden rekening met de eerder genoemde snelheden en rijrichtingen die genoemd worden onder de brancherichtlijnen voor brandweer.
Voor meer informatie over opleidingen richtlijnen ambulancevoertuigen:
www.ambulancezorg.nl
Bron: vakblad Ambulance sept. 2002
|